1. Veronica è appena arrivata a Roma per un breve viaggio di lavoro. È la sua prima volta in Italia. Resta quattro giorni. Poi torna a casa. Sta in un piccolo appartamento vicino alla stazione e alla zona degli uffici. È la sua prima sera in città, è un po’ stanca e ha fame. Decide di andare al minimarket all’angolo per comprare qualcosa da mangiare. Stasera non ha voglia di andare al ristorante.
Veronica
zij is
net aangekomen
in Rome
voor een korte zakenreis.
Het is
haar eerste keer
in Italië.
zij blijft
vier dagen.
Dan
zij gaat terug
naar huis.
zij verblijft
in een klein appartement
dicht bij het station
en bij de kantoorgebouwen.
Het is
haar eerste avond
in de stad,
zij is een beetje moe
en zij heeft honger.
zij besluit
om te gaan
naar de supermarkt
op de hoek
om iets te eten te kopen.
Vanavond
zij heeft geen zin om
naar het restaurant te gaan.
Veronica is net in Rome aangekomen voor een korte zakenreis. Het is haar eerste keer in Italië. Ze blijft vier dagen en gaat daarna weer naar huis. Ze verblijft in een klein appartement dichtbij het station en de kantoorgebouwen. Het is haar eerste avond in de stad, ze is een beetje moe en ze heeft honger. Ze besluit naar de supermarkt op de hoek te gaan om iets te eten te kopen. Vanavond heeft ze geen zin om naar een restaurant te gaan.