1. Leo è nella sua camera d'albergo, un venerdì pomeriggio. Vuole uscire a cena con un amico. Il ristorante è molto famoso, quindi decide di telefonare per fare una prenotazione. È un po' nervoso. Le telefonate in un'altra lingua non sono facili.
Leo
Hij is
in zijn hotelkamer,
op een vrijdagmiddag.
Hij wil
uit eten gaan
met een vriend.
Het restaurant
Het is
heel
beroemd,
dus
hij besluit te bellen
om een reservering te maken.
Hij is
een beetje
zenuwachtig.
De telefoongesprekken
in een andere taal
zij zijn niet makkelijk.
Leo is in zijn hotelkamer op een vrijdagmiddag. Hij wil met een vriend uit eten gaan. Het restaurant is heel beroemd, dus hij besluit te bellen om een reservering te maken. Hij is een beetje zenuwachtig. Telefoneren in een andere taal is niet makkelijk.