1. È una sera di venerdì, all’inizio dell’autunno, a Milano. Eva ha trentanove anni. Entra in un bel bar. Le luci sono calde e c’è musica tranquilla. Si toglie il cappotto e lo tiene sul braccio. Sorride, ma si sente un po’ nervosa. In mezzo alla sala ci sono piccoli tavoli rotondi. Sui tavoli ci sono numeri, penne e piccole schede. In fondo, una donna è su una piccola pedana con un blocco per appunti. Sorride e aspetta.
Het is
een avond
op vrijdag,
aan het begin
van de herfst,
in Milaan.
Eva
ze heeft
negenendertig jaar.
ze komt binnen
in een leuke bar.
de lichten
ze zijn
warm
en er is
rustige muziek.
ze doet uit
de jas
en ze houdt het
op haar arm.
ze glimlacht,
maar ze voelt zich
een beetje
nerveus.
in het midden van de zaal
er zijn
kleine ronde tafels.
op de tafels
er zijn
nummers,
pennen
en kleine kaartjes.
achterin,
een vrouw
ze is
op een klein podium
met een notitieblok
voor notities.
ze glimlacht
en ze wacht.
Het is vrijdagavond, aan het begin van de herfst, in Milaan. Eva is negenendertig jaar en ze komt een leuke bar binnen. De lichten zijn warm en er is rustige muziek. Ze doet haar jas uit en houdt hem op haar arm. Ze glimlacht, maar ze voelt zich een beetje nerveus. In het midden van de zaal staan kleine ronde tafels. Op de tafels liggen nummers, pennen en kleine kaartjes. Achterin staat een vrouw op een klein podium met een notitieblok. Ze glimlacht en wacht.