8. Para visitar una isla tomo un avión temprano. El vuelo es corto y miro las nubes. En el mapa la isla está al norte de mi casa, pero yo quiero ver también el sur de la costa. En el aeropuerto hay una tienda pequeña para agua y pan. Yo hablo poco el lenguaje local, pero uso gestos. Al llegar pregunto: “¿Dónde está el este y dónde está el oeste?” Un taxista me explica con calma. Así empiezo el día en un lugar nuevo.
Om te bezoeken
een eiland
ik neem
een vliegtuig
vroeg.
de vlucht
hij is
kort
en ik kijk
de wolken.
op de kaart
het eiland
het is
ten noorden van
mijn huis,
maar ik wil
zien
ook
het zuiden
van de kust.
op de luchthaven
er is
een kleine winkel
voor
water
en brood.
Ik spreek
weinig
de lokale taal,
maar ik gebruik
gebaren.
bij aankomst
ik vraag:
“Waar
het is
het oosten
en waar
het is
het westen?”
een taxichauffeur
mij
hij legt uit
rustig.
Zo
ik begin
de dag
op een nieuwe plek.
Om een eiland te bezoeken neem ik vroeg een vliegtuig. De vlucht is kort en ik kijk naar de wolken. Op de kaart ligt het eiland ten noorden van mijn huis, maar ik wil ook het zuiden van de kust zien. Op de luchthaven is er een kleine winkel voor water en brood. Ik spreek de lokale taal maar een beetje, maar ik gebruik gebaren. Bij aankomst vraag ik: “Waar is het oosten en waar is het westen?” Een taxichauffeur legt het rustig uit. Zo begin ik de dag op een nieuwe plek.