20. El camarero finalmente trae la comida. Camina tan despacio. La tostada está caliente. El bocadillo se ve bien. "¡Buen provecho!" se dicen. Empiezan a comer. La comida está deliciosa.
De ober
eindelijk
brengt
het eten.
Hij loopt
zo
langzaam.
De toast
is
warm.
Het broodje
ziet er
goed uit.
"Eet smakelijk!"
zeggen ze tegen elkaar.
Zij beginnen
te eten.
Het eten
is
heerlijk.
De ober brengt eindelijk het eten. Hij loopt zo langzaam. De toast is warm. Het broodje ziet er goed uit. "Eet smakelijk!" zeggen ze tegen elkaar. Zij beginnen te eten. Het eten is heerlijk.