1. La famiglia si riunisce la domenica. L’uomo e la donna che ospitano tutti sono il padre e la madre. Il padre prepara la tavola e parla con il figlio, che aiuta volentieri. La madre porta la bambina in cucina e chiama anche il bambino per un aiuto.
de familie
ze komt samen
op zondag.
de man en de vrouw
die ontvangen
iedereen
zij zijn
de vader en de moeder.
de vader
hij dekt
de tafel
en hij praat
met de zoon,
die helpt
graag.
de moeder
zij brengt
het meisje
naar de keuken
en zij roept
ook
de jongen
voor hulp.
De familie komt op zondag bij elkaar. De man en de vrouw die iedereen ontvangen, zijn de vader en de moeder. De vader dekt de tafel en praat met de zoon, die graag helpt. De moeder brengt het meisje naar de keuken en roept ook de jongen voor hulp.