23. La madre parla con la nonna, e il nonno parla con lo zio e con un cugino e una cugina di passaggio. Nel pomeriggio il vicino compra le verdure e la vicina compra il pesce, e tutti parlano del tempo. La famiglia torna a casa stanca, ma è contenta.
de moeder
zij praat
met de oma,
en de opa
hij praat
met de oom
en met een neef
en een nicht
op doorreis.
in de middag
de buurman
hij koopt
de groenten
en de buurvrouw
zij koopt
de vis,
en iedereen
zij praten
over het weer.
de familie
ze komt terug
naar huis
moe,
maar ze is
blij.
De moeder praat met de oma, en de opa praat met de oom en met een neef en een nicht op doorreis. In de middag koopt de buurman groenten en de buurvrouw koopt vis, en iedereen praat over het weer. De familie komt moe thuis, maar ze is blij.